Ze was mijn zus
Ze hield van bomen.
‘Ze ritselen van stilte
ademen geheimen
vrijen met de maan
met nooit genoeg takken
en durven dikke druppels huilen
als het bos verdrietig is
Vogels landen er vol heimwee
naar verten onverkend’
Een tekstje op haar kamer.
Ze was mijn zus,
vertrok te vroeg
naar verten onverkend.
Vandaag
heb ik een boom geplant
en durfde ik te huilen.
Ed Franck |
Ginds wordt mijn broer
begraven. Hij en ik, wij
zijn daar niet.
Een vogel fluit oneerlijk
mooi. Ik pluk een bloem
niet voor zijn graf
maar voor zijn kamer
voorgoed onaf.
Mijn handen zijn me vreemd.
Jammer dat een bloem
niet praat. Dood gaat ze ook.
“Verslensen”
zegt het woordenboek.
alsof ik nieuwe woorden zoek
vol minder pijn.
Ed Franck |
| |
|
Er is in mij een gat geslagen
Een gat zo diep als niemand weet.
Pas na jouw dood ging ik beseffen
Hoeveel je er voor mij toe deed.
Je hoorde altijd in mijn leven,
Was een deel van mijn identiteit.
Nu ben ik zusje zonder zus
en wie ik was die ben ik kwijt.
Fien van Maaren |
Overal kom ik je tegen;
In de auto, op de fiets,
In de zon en in de regen
Verschijn je plotseling uit het niets.
Als ik ergens ben en weet
dat wij daar samen stonden
of iets zie en nooit vergeet
hoe mooi je t had gevonden.
Waar ik ben, je bent erbij.
Al ben je gestorven
Je leeft nog in mij.
Fien van Maaren |
| |
|
Broer
“Het is hard” zei hij “godverdomme hard.
En onrechtvaardig, voor het eerst word ik mager.”
Nog de herfst buiten, een maïsveld tot de einder,
het woord valt, einder, eindig.
Dan geen woord meer van hem.
In zijn slokdarm de plastic slang.
Hij hikt uren lang. Kan niet slikken.
Nog beweging in de rechterhand
die de linker draagt als een vette lelie.
De hand steekt zijn duim omhoog.
Hij blijft seinen tot in zijn laatste verval.
Hij heeft wit kindervel gekregen.
Hij knijpt in mijn angstige hand.
Ik zoek nog naar een gelijkenis, de onze,
de onrust van haar,
het ongeduld van hem (geen tijd voor tijd),
beider wantrouwen en goedgelovigheid
en ik beland in ons eerste verleden,
dat van een wereld als een weide met kikkers
als een sloot met paling
en later weddenschappen, tafeltennis,
huishoudelijke wetten, de 52 kaarten,
de drie dobbelstenen
en aldoor de tomeloze honger.
(Ik word oud in plaats van jou.
Ik eet fazant en ruik het bos.)
Nu is zijn behuizing afgemeten
De machine ademt voor hem.
Slijm wordt weggezogen.
Een ratel uit zijn middenrif,
en dan zijn laatste beweging, een lome knipoog.
Zielsverhuizing. Een ordening. Een portie afgesneden.
Het lijf nog verminderend
en dan plots in zijn gezicht dat dood was
een frons en een kramp
en dan een gesperde, woeste blik,
ondraaglijk helder, de woede en schrik
van een tiran. Wat ziet hij? Mij, een man
die zich afwendt, laf verbaasd over zijn tranen?
Dan is het morgen en maakt men de riemen los
En hij dan voorgoed.
Hugo Claus |
|
| |
|
een avond eerder
een avond eerder
gingen wij
samen nog
door zomergroen
aanschouwden wij
samen nog
het paren van het waterhoen
een avond eerder...
onwetend nog
John van Raaij |
die avond
die avond
droeg het strand
de kleur
van mooiste zomergeel
sinds die avond
is alles zoveel
minder heel
John van Raaij |
| |
|
het is
het is
niet het verlaten
het is niet het achterlaten
het is
het achterblijven
gelaten
John van Raaij |
achterblijver
de onmacht
hangt voor altijd
als
een zweetklamme deken
over
de vroege juni-avond
John van Raaij |
| |
|
onberekenbaar
dertien jaren
de afstand
duizend-en-meer
de herinneringen
zes-en-dertig
de bloemen
onmeetbaar
het verlies
onberekenbaar
de dood
John van Raaij |
fiets
bij leven
pronkstuk van blinkend chroom
en glanzend zwarte stangen
we maakten wereldreizen
van nog géén uur
ik zat tussen zadel en stuur
bij dood
erfstuk en vastgeroeste droom
in rouwzwart gevangen
John van Raaij |
| |
For you
I miss/forget her so she might be going to the other side
I don’t forget her yet she still is playing in the back there for a while
Reason to believe it’s getting better all the times I think that’s not ok
But don’t you think I’m fine your darling daughter will be mine there for quite
a while
Darling ever dream about the things that should have been or used to be
Time will never change, those things will never be the same, this love will ever last
Reason to believe it’s getting better all the times I think that’s not ok
But don’t you think I’m fine your darling daughter will be mine there for quite
a while
For you…
For you…
You feel so strong might be the only one who is not so scared
Love will feel the same it’s just the way that she’ll explain it to everyone
Reason to believe it’s getting better all the times I think that’s not ok
But don’t you think I’m fine your darling daughter will be mine there for quite
a while
For you…
For you…
Léon Fransen |
| |
|
dansend, wensend
maar nu
slenterend, dromend
herinneringen
het verhaal zal doorgaan
het verhaal van ‘ons’
dromende herinneringen
het verhaal blijft
kreeg alleen die andere wending
een kus, magisch
een broer, magisch
een kus, die danste
een broer, die danste
het leven
maar wat nog meer
ik geef je een kus
en blijf wensen, dromen
maar vooral
blijft het verhaal magisch dansen
Lotus Marie Steinebach
|
Uit: Vier gedichten bij de dood van mijn broer
Frans-Herman:
Op het pad in het nachtduistere bos
beloop ik de vele overwoekerde graven
vader moeder ons zuster jeanneke
ze stierf toen ze pas vierentwintig was
en jij sterft nu je achtenveertig bent
net het dubbele het kan uitgecijferd
reeds in de kleuterklas – maar niet
waarom ik achterbleef waarom wel
de dag voordien nog in mijn pronkhuis
zag je me omringd door die van teevee
je zat sprakeloos en bewonderde me –
en weer schaamde ik me ravijndiep
dat je niet te geloven naar me opkeek
tot elkeen zei je met haast kindertrots
ja hij is mijn grote broer demijne
waarom krijgt de een ongevraagde schatten
de ander niets om mee te woekeren
waarom schilderde jij naamloos straatgevels
en wordt straks naar mij een straat genoemd
welke god heeft zoiets beslist
welke god gooi ik het voor de voeten
was er een eerlijker doodbraver man dan jij
nee dat bestaat niet – en ik
van alle markten thuis doorwinterd sluw
op alle tellen passend bereikte veel
wat ik niet verlangde –
moeder vader huilen nu om jou in hun graf
ik beluister het zwijgen in het nachtduistere bos
Louis Paul Boon |
| |
|
Pictures
There are pictures on the piano,
Pictures of the family,
Mostly my kids but there's an old
Picture of you and me.
You were five and I was six
In 1952;
That was forty years ago
How could it be true?
We were sitting outside drawing
At a table meant for cards,
And it must have been in autumn,
Falling leaves in the front yard,
With a shoebox full of crayons,
Full of colors oh so bright,
In a picture in a plastic frame,
A snapshot black and white.
|
A brother needs a sister
To watch what he can do,
To protect and to torture,
To boss around—it's true;
But a brother will defend her
For a sister's love is pure,
Because she thinks he's wonderful
When he is not so sure.
In the picture there's a fender
Of our old Chevrolet
Or Pontiac our dad would know,
Surely he could say;
But dad is dead and we grow old;
It's true that time flies by;
And in forty years the world has changed
As well as you and I.
Loudon Wainwright
|
| |
|
Afscheid van Kris.
Ik wou je terugzien,
want ik maakte me zorgen.
Ik dacht, misschien
zie ik je wel, morgen.
Maar opeens ben je heengegaan
zonder iets te laten weten.
Je heengaan kan ik niet verstaan,
maar ik zal je nooit vergeten.
We hadden je nog zoveel te vragen,
we hadden van je nog zoveel te leren.
Nu moeten we het alleen maar wagen,
en moeten we op jou verleden keren.
Kris, je was rustig en stil,
je was verdraagzaam en goed.
Geef ons een teken als je wil,
hoe voor ons het leven verder moet.
We zullen steeds aan je denken,
we dragen je in onze herinneringen.
Je ontmoeten in kleine wenken,
zijn voor ons aangename dingen.
Langzaam kruipen de dagen,
voor ons voorbij.
Dagen met vragen:
“Waarom toch, jij?”
Luc Janssen |
Verleden tijd
Er wordt bijna niet
meer over je gepraat.
We zijn je niet vergeten,
maar het doet zo’n pijn.
Het lijkt wel dat het
ogenschijnlijk goed gaat.
Stil blijft de belevenis
dat je er nooit meer zal zijn.
Ver weg lijken me
de dingen uit het verleden.
Bij elk verlies overvalt
me toch steeds verdriet.
Jouw dood hoort toch
zo sterk bij mijn heden.
Mijn leven blijft getekend
sinds je mij verliet.
Stil in gedachten
blijf ik met je praten.
Maar een reactie van jou
blijft maar uit.
’t Is moeilijk te verteren
door het vele verlaten.
Gun me een streling,
geef me een geluid.
Luc Janssen |
| |
|
Binnenstebuiten
Van buiten ben ik goed.
Van binnen is het minder.
Innerlijk draag ik roet.
De wereld voelt geen hinder.
Gelaten loop ik rond.
vragen blijven
Mijn hart zoekt in verleden.
Ze zeggen, hou je gezond.
Mijn rouw wordt vermeden.
Het leven gaat zijn gang.
Ik weet dit zeker wel.
Maar dat juist maakt me bang.
Duw ik op de stop-bel?
Laat me mijn trip, mijn reis.
Laat me uitstappen waar ik wil.
Een reactie stel ik steeds op prijs.
Niet te groot, het mag ook stil.
Soms is alleen zijn ook goed.
En dan duik ik weer in verdriet.
Wat je ook voor me doet.
Soms ken je mijn liedje niet.
Luc Janssen |
’s Avonds.
Ik zit maar wat te denken
aan toen, vroeger, hoe het was.
Deugddoende kleine wenken
bezorgen me een tranenplas.
Dromen bij zachte muziek,
welke jij zo graag hoorde,
maakt me erg melancholiek.
Ik wou dat ik jou nu hoorde.
De avond duurt me wat lang,
maar slapen, dat kan ik niet.
Liever beluister ik zacht gezang.
Het stilt een beetje mijn verdriet.
De avond gaat over in de nacht.
Ik bekijk je foto met mededogen.
Hoelang ik ook maar op je wacht.
Uiteindelijk sluiten ook mijn ogen.
Luc Janssen |
| |
|
Kerkhofwandeling
Ik hou ervan om hier rond te lopen.
Ik hou ervan om hier met jou te zijn.
Ik hou ervan om verleden te overlopen.
Maar ik hou niet van verdriet en pijn.
Ik hou ervan hier even te kuieren.
Ik hou ervan hier te zijn in aller nood.
Ik hou ervan hier op een bank te luieren.
Maar ik hou niet van jouw dood
Luc Janssen |
De steen
Niet jouw eerste,
maar wel jouw laatste.
De eerste foto, je broer,
maar niet de laatste.
De tweede foto, je broer,
maar niet de laatste.
De derde foto, jij, broer,
maar niet de laatste.
De vierde foto, je broer,
maar niet de laatste.
Dag steen, stille getuige,
ik ben de laatste.
Luc Janssen |
| |
|
Stille ruimte
Hier sta ik weer bij jou,
bij jou op het kerkhof.
Mijn broer, mijn trouw,
mijn woorden zo dof.
De stilte neemt me mee,
tot jou, mijn groot gemis.
Zachtjes en gedwee,
in diepe gedachtenis,
praat ik dan met de wind,
om even te kunnen zijn,
waar jij nu bent m’n vrind,
de andere kant van de lijn.
De ruimte van de tuin,
waar jij nu rustig ligt,
is versiert met arduin,
met bloemen en licht.
Ik wil hier bij je blijven,
ik wil niet meer naar huis.
Luc Janssen |
Mijn tijd is niet te verdrijven,
maar kinderen wachten thuis.
Kris, ik had je toch zo graag,
ik mis je toch zo zeer.
Ik heb pijn in ziel en maag,
wanneer zie ik je weer.
Laat de mensen nu maar denken,
wat staat hij daar te doen.
Jou, wil ik aandacht schenken,
een stille ruimte net als toen.
Een glimlach en een traan
vloeit over mijn wangen.
Ik heb weer naast je gestaan,
ik voel me goed gevangen.
Dag broer, ik laat je niet los.
Straks ben ik er weer.
Kom jij ook naar het bos,
of misschien een andere keer.
Luc Janssen |
| |
|
Broers en zussen –
kinderen nog,
jongeren al
uit huis.
Maar nog altijd
broers en zussen.
Soms de enige,
de enige die achterblijft.
Wie ziet hen?
Wie vermoedt hun
vaak stille rouw?
Wie is er voor hen?
Het is de onderschatte
rouw,
die het meeste drukt
die op haar waarde
geschat moet worden.
Marinus van den Berg |
Lief broertje, lieve Machiel
Ik mis je zo
Je dood heeft me door elkaar geschud
Versplinterd
Ik heb mijzelf weer bijeen geraapt, dat wel
Maar ik ben niet langer compleet
Dapper probeert dat wat rest van mij
Mee te blijven doen in de doordraaiende wereld,
Van het leven toch een feest te maken
Maar geen lach, geen dans, geen genieten
Is nog puur
Help me… het doet zo’n pijn
Nyncke Dinkla |
| |
|
Je bent er niet meer
Maar je bent altijd in en om me heen
Toch moet ik iets loslaten
Het verdriet moet minder worden
Ik moet verder met mijn leven
Ik hoop dat ik minder kwetsbaar
Dus sterker ga worden
Meer vertrouwen kan krijgen
In mensen en in het leven
Dag lieve zus
Ik hou van je
Ik mis je
Je zusje
Renate |
Als jij het toch eens wist
O jongen als jij het toch eens wist
Hoeveel iedereen jou mist
en ik nog zoveel meer
Want ik kon met je praten over dingen
Waarvan papa en mama het niet mochten weten
Ik zie jou nu zo thuis in bed liggen
Zo lief met een kleine glimlach op je gezicht
O jongen als jij dit toch eens wist
Ik hou zo veel van jou
Ik ga je nooit vergeten
In mijn hart zul je altijd blijven
Dit moet je weten
Kusjes, je grote broer |
| |
|
Mijn broer is dood.
Mijn broer is dood. Ik ben verbaasd, het
kan niet kloppen, want ik zie dat ik nog leef.
Wij zijn van meet af aan altijd bij elkaar geweest
en waren dan ook zo ongeveer precies gelijk.
Hoe kan het dan dat ik zomaar in mijn eentje overblijf?
Alsof iemand in het wilde weg gekozen heeft,
niet opgelet heeft wie van ons het was.
Hoe dichterbij kan nog de dood?
Ted van Lieshout |
Mijn vader ging dood – ik was toen zeven –
Dat was heel erg, maar erger was:
Die ochtend had ik hem geen kus gegeven.
Ik kwam die dag voor de eerste maal
Van school thuis met een tien voor taal;
Had hij geen dagje kunnen wachten?
Later ging ook mijn broertje dood.
Ik heb gehuild, kon hem niet missen,
‘k was toen al banger voor de dood.
Ik heb van hem een foto en angstig ben ik nog het meest
Dat als ik ouder word geen mens meer zien zal
Dat wij broertjes zijn geweest.
En als er echt een hemel is en als ik daar dan in woon,
Dat is mijn vader mijn broertje
En mijn broertje net mijn zoon.
Ted van Lieshout |
| |
|
Soms, een enkele keer
met heel veel moeite en voornamelijk toevallig,
lukt het iemand
om met beide armen zijn verdriet te omvatten.
Hij tilt het op.
Laat de deur niet op slot zijn, nu…
Hij duwt hem open met zijn knie
en loopt met grote breedsporige passen naar buiten.
Kijk uit! roept hij
want het verdriet is zo groot dat hij er niet overheen kan kijken
en doorzichtig is het nooit.
Ver weg, in een sloot of op een drassige plek
onder populieren
of achter een scheve schutting tussen oude autobanden,
speelgoed, resten van een vuur
gooit hij het neer
en fluitend loopt hij terug naar huis.
Toon Tellegen |
“How many are you? then said I
“if they two are in heaven?”
Quick was the little maid’s reply,
“O Master, we are seven.”
“But they are dead; those two are dead!
Their spirits are in heaven!”
‘tWas throwing words away; for still
The little maid would have her will,
And said: “Nay, we are seven!”
William Wordsworth |
|
|